Nieuwe zzp-wetgeving: wat de Zelfstandigenwet betekent voor werkgevers
Nieuwe zzp-wetgeving: wat de Zelfstandigenwet betekent voor werkgevers
Organisaties die werken met zzp’ers hebben nog altijd te maken met veel onzekerheid over de nieuwe zzp-wetgeving. Intussen loopt de handhaving door en worden arbeidsrelaties nu al beoordeeld op basis van het huidige recht en de bestaande jurisprudentie. Dat speelt vooral bij langdurige inzet van zzp’ers binnen reguliere teams of wanneer zelfstandigen structureel onderdeel zijn geworden van de organisatie.
Het kabinet-Jetten heeft in de Kamerbrief van 9 april 2026 uiteengezet dat de Zelfstandigenwet het nieuwe wettelijke toetsingskader moet worden voor de beoordeling van zzp-relaties. Tegelijkertijd blijft de exacte uitwerking van de nieuwe wetgeving nog onzeker.
Dat betekent dat werkgevers voorlopig niet kunnen afwachten. De manier waarop zzp-relaties vandaag zijn ingericht en uitgevoerd, blijft bepalend voor de vraag of sprake is van schijnzelfstandigheid.
In dit artikel leest u:
- Hoe arbeidsrelaties nu worden beoordeeld
- De plannen van het kabinet
- De status van de Wet VBAR
- De Zelfstandigenwet: ondernemerschap als vertrekpunt
- Nieuwe wetgeving verandert de huidige beoordeling niet
- Veelgestelde vragen
- Wanneer treedt de nieuwe wetgeving in werking?
- Kan ik mijn huidige zzp-contracten laten doorlopen tot de nieuwe wetgeving in werking treedt?
- Wat betekent het rechtsvermoeden bij een laag uurtarief voor werkgevers?
- Ben ik veilig als ik boven €38 per uur betaal?
- Kan ik straks vooraf zekerheid krijgen over de status van de arbeidsrelatie?
- Moet ik bestaande zzp-relaties nu opnieuw beoordelen?
- Wat betekent dit voor uw organisatie?
Hoe arbeidsrelaties nu worden beoordeeld
De beoordeling van arbeidsrelaties is momenteel gebaseerd op de wettelijke definitie van de arbeidsovereenkomst (arbeid, loon en gezag) en op de criteria die de Hoge Raad heeft uitgewerkt in onder meer het Deliveroo-arrest en het Uber-arrest.
In de praktijk vindt die beoordeling plaats binnen het kader van de Wet DBA en is zij afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang. Er bestaat geen vaste formule en geen enkel criterium is op zichzelf doorslaggevend. Vooral bij langdurige inzet van zzp’ers binnen reguliere teams ontstaan in de praktijk regelmatig discussies over de kwalificatie van de arbeidsrelatie.
Wilt u meer weten over de manier waarop arbeidsrelaties in de praktijk worden beoordeeld, de risico’s van schijnzelfstandigheid en de huidige handhaving door de Belastingdienst, lees dan ook:
- ‘Schijnzelfstandigheid in 2026: de regels, risico’s en handhaving voor werkgevers’.
- ‘Schijnzelfstandigheid voorkomen: criteria en stappenplan voor werkgevers’.
- ‘Controle op zzp-relaties: hoe de Belastingdienst in 2026 handhaaft’.
De plannen van het kabinet
In de Kamerbrief van 9 april 2026 heeft kabinet-Jetten uiteengezet dat de Zelfstandigenwet het nieuwe wettelijke kader moet worden voor de beoordeling van zzp-relaties.
Daarbij verschuift het uitgangspunt van de beoordeling. Niet primair het gezagscriterium staat centraal, maar de vraag of iemand daadwerkelijk als zelfstandig ondernemer opereert. Daarmee kiest het kabinet nadrukkelijk voor ondernemerschap als vertrekpunt.
Die benadering wijkt op onderdelen af van de huidige lijn in de jurisprudentie.
Belangrijk is wel dat dit nog geen geldend recht is. De Zelfstandigenwet is nog niet formeel ingediend bij de Tweede Kamer en de verdere parlementaire behandeling moet nog starten. Ook de uiteindelijke inhoud en invoeringsdatum staan daarom nog niet vast.
Vooralsnog wordt uitgegaan van een beoogde invoering per 1 januari 2028.
De status van de Wet VBAR
De Wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) is op 7 juli 2025 ingediend bij de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel introduceerde een nieuw toetsingskader voor arbeidsrelaties en een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst bij een laag uurtarief.
Inmiddels heeft het kabinet aangegeven het toetsingskader uit de VBAR niet te willen invoeren. In plaats daarvan moet de Zelfstandigenwet het toekomstige wettelijke kader gaan vormen.
Het rechtsvermoeden bij een laag uurtarief blijft wel bestaan
Het kabinet wil het rechtsvermoeden bij een laag uurtarief wel behouden. De Tweede Kamer heeft het voorstel inmiddels aangenomen. De behandeling door de Eerste Kamer loopt nog.
Bij een uurtarief onder €38 per uur (prijspeil 1 januari 2026) ontstaat straks een wettelijk vermoeden van een arbeidsovereenkomst. Dat betekent niet automatisch dat sprake is van een dienstverband, maar wel dat de opdrachtgever moet kunnen onderbouwen waarom iemand ondanks het lage tarief toch daadwerkelijk als zelfstandige werkt.
Het rechtsvermoeden vervangt de inhoudelijke beoordeling van de arbeidsrelatie niet. Ook boven deze tariefgrens blijft beslissend hoe de samenwerking feitelijk is ingericht en uitgevoerd. Een hoger uurtarief biedt daarom geen vrijwaring.
De Zelfstandigenwet: ondernemerschap als vertrekpunt
De Zelfstandigenwet kiest een andere benadering dan de huidige jurisprudentie. Niet primair het gezagscriterium, maar het ondernemerschap van de werkende vormt het uitgangspunt.
Het voorstel werkt met drie afzonderlijke toetsen.
1. De zelfstandigentoets
Deze toets beoordeelt of iemand daadwerkelijk zelfstandig ondernemer is. Relevante De zelfstandigentoets kijkt naar de vraag of iemand zich daadwerkelijk als ondernemer gedraagt. Daarbij wordt onder meer gekeken naar:
- een inschrijving bij de Kamer van Koophandel;
- een btw-nummer;
- investeringen in bedrijfsmiddelen;
- meerdere opdrachtgevers;
- en de mate waarin iemand zich in het economisch verkeer als ondernemer presenteert.
2. De werkrelatietoets
De werkrelatietoets richt zich op de manier waarop de samenwerking in de praktijk is ingericht. Relevant zijn onder meer:
- de vrijheid om het werk zelfstandig in te richten;
- de mogelijkheid om zelf werktijden en werkwijze te bepalen;
- de mate van hiërarchische aansturing;
- en de bedoeling van partijen om buiten dienstverband samen te werken.
Opvallend is dat de bedoeling van partijen binnen dit voorstel nadrukkelijk een rol krijgt. Dat wijkt af van de huidige lijn in de jurisprudentie, waarin de feitelijke uitvoering van de samenwerking doorgaans zwaarder weegt.
3. Het sectorale rechtsvermoeden
De derde toets betreft een sectorgebonden rechtsvermoeden. In sectoren waar het risico op schijnzelfstandigheid verhoogd is, kunnen aanvullende of strengere criteria gelden.
Daarmee erkent het voorstel dat sommige sectoren structureel kwetsbaarder zijn voor discussies over de kwalificatie van arbeidsrelaties.
Nieuwe wetgeving verandert de huidige beoordeling niet
Veel werkgevers hopen dat nieuwe wetgeving straks meer duidelijkheid biedt over het werken met zzp’ers. In de praktijk leidt dat regelmatig tot de gedachte dat bestaande samenwerkingen voorlopig kunnen blijven doorlopen.
Dat is risicovol. De Belastingdienst handhaaft sinds het vervallen van het handhavingsmoratorium weer actief op basis van het huidige recht. Arbeidsrelaties worden dus nu al beoordeeld aan de hand van de bestaande wettelijke criteria, de actuele jurisprudentie en vooral de manier waarop de samenwerking feitelijk is ingericht.
In de praktijk ontstaan discussies over schijnzelfstandigheid met name wanneer zzp’ers langdurig onderdeel worden van reguliere teams, werken onder vaste aansturing of structureel binnen de organisatie zijn ingebed.
Nieuwe wetgeving verandert daar voorlopig niets aan. Totdat nieuwe regels daadwerkelijk in werking treden, blijven de huidige regels en het bestaande handhavingsbeleid bepalend.
Veelgestelde vragen
Wanneer treedt de nieuwe wetgeving in werking?
Voor de Zelfstandigenwet wordt momenteel uitgegaan van een beoogde invoering per 1 januari 2028, maar die datum staat nog niet vast. De wet is namelijk nog niet formeel ingediend bij de Tweede Kamer en het parlementaire traject moet nog starten.
Voor het rechtsvermoeden bij een laag uurtarief geldt een afzonderlijk traject. Dat voorstel is al aangenomen door de Tweede Kamer en ligt nu bij de Eerste Kamer.
Tot die tijd blijven arbeidsrelaties worden beoordeeld op basis van het huidige recht en de bestaande jurisprudentie.
Kan ik mijn huidige zzp-contracten laten doorlopen tot de nieuwe wetgeving in werking treedt?
Dat is juridisch risicovol. Arbeidsrelaties worden ook nu al beoordeeld op basis van het huidige recht. Dat nieuwe wetgeving wordt voorbereid, biedt daarom geen tijdelijke vrijstelling van handhaving.
Vooral bij langdurige of structurele inzet van zzp’ers binnen reguliere bedrijfsprocessen is het verstandig om kritisch te kijken naar de feitelijke uitvoering van de samenwerking.
Wilt u meer weten over de signalen waarop wordt gelet bij de beoordeling van schijnzelfstandigheid? Lees dan: Schijnzelfstandigheid voorkomen: criteria en stappenplan voor werkgevers.
Wat betekent het rechtsvermoeden bij een laag uurtarief voor werkgevers?
Het rechtsvermoeden houdt in dat bij een uurtarief onder de wettelijke grens vermoed wordt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. In dat geval moet de opdrachtgever kunnen onderbouwen waarom iemand toch daadwerkelijk als zelfstandige werkt.
Ook boven die tariefgrens blijft de volledige beoordeling van de arbeidsrelatie relevant. Een hoger uurtarief biedt dus geen automatische bescherming tegen discussies over schijnzelfstandigheid.
Ben ik veilig als ik boven €38 per uur betaal?
Nee. Het rechtsvermoeden geldt alleen onder de wettelijke tariefgrens, maar ook boven die grens blijft de volledige beoordeling van de arbeidsrelatie relevant. De manier waarop de samenwerking feitelijk is ingericht en uitgevoerd blijft doorslaggevend.
Kan ik straks vooraf zekerheid krijgen over de status van de arbeidsrelatie?
De Zelfstandigenwet voorziet in een beoordelingscommissie die bindende oordelen zou kunnen geven over arbeidsrelaties. Daarmee wil het kabinet opdrachtgevers meer voorafgaande zekerheid bieden.
Onder het huidige recht blijft voorafgaande zekerheid beperkt. Vooroverleg met de Belastingdienst biedt alleen zekerheid zolang de feitelijke uitvoering overeenkomt met de voorgelegde situatie.
Of en wanneer deze nieuwe vorm van voorafgaande zekerheid daadwerkelijk wordt ingevoerd, is nog niet definitief duidelijk.
Moet ik bestaande zzp-relaties nu opnieuw beoordelen?
Dat is in veel gevallen wel verstandig. De Belastingdienst handhaaft inmiddels actief op basis van het huidige recht en beoordeelt arbeidsrelaties aan de hand van de feitelijke uitvoering van de samenwerking.
Vooral bij langdurige inzet, structurele organisatorische inbedding of vaste aansturing is het verstandig om bestaande zzp-relaties kritisch tegen het licht te houden.
Wilt u weten hoe controles op zzp-relaties in de praktijk verlopen en waar de Belastingdienst daarbij op let? Lees dan ook: Controle op zzp-relaties: hoe de Belastingdienst in 2026 handhaaft
Wat betekent dit voor uw organisatie?
De politieke richting van de nieuwe zzp-wetgeving wordt inmiddels duidelijker. Tegelijkertijd blijven de exacte uitwerking, het tijdpad en de uiteindelijke invoering nog onzeker. Wat wél vaststaat, is dat arbeidsrelaties nu al worden beoordeeld op basis van de huidige regels en de bestaande jurisprudentie.
Voor werkgevers betekent dat dat niet alleen het contract telt, maar vooral de manier waarop de samenwerking in de praktijk is ingericht en uitgevoerd. Juist bij langdurige inzet van zzp’ers binnen reguliere bedrijfsprocessen kunnen daarbij risico’s ontstaan.
Wilt u inzicht krijgen in de juridische houdbaarheid van uw huidige zzp-relaties of weten hoe u zich kunt voorbereiden op nieuwe zzp-wetgeving? Neem dan contact met onze arbeidsrechtspecialisten of bekijk de mogelijkheden van een training.

